Kinderen verdienen onze bescherming; wanneer ze klein zijn is hun kwetsbaarheid het grootst.
Psychosociale problemen
Prevalentie en spreiding
Signalen
Maatschappelijke ontwikkelingen
Directe leefomgeving thuis en op school
Psychosociale problemen, zoals gedragsmatige, emotionele en schoolproblemen komen veel voor bij kinderen. Zij worden zichtbaar als onzekerheid, teruggetrokken en/of angstig gedrag, leerproblemen, spijbelen, problemen in de omgang met anderen, depressiviteit, hyperactiviteit, agressiviteit, psychosomatische klachten, eetstoornissen en anderen.
Deze problemen belemmeren kinderen in het dagelijks functioneren en beïnvloeden de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen negatief. Psychosociale problemen gedurende de kindertijd dragen bij aan afwijzing door leeftijdgenoten, een gebrekkige motivatie, slechte schoolresultaten en schoolverlating.
Nederland telt ruim 2,6 miljoen kinderen in de leeftijd van 0 – 12 jaar. Van deze kinderen heeft 21 tot 25 procent psychosociale problemen. Jongens vaker dan meisjes: 25 % tegenover 17 %.
Slechts 5-6% van deze kinderen hebben contact met de geestelijke gezondheidszorg.
De psychosociale problemen van een kleuter blijven, als geen hulp wordt verleend, ook in de pubertijd en volwassenheid bestaan. Probleemgedrag blijkt in de tijd vaak stabiel. Laagdrempelige hulp kan voorkomen dat er in een later stadium grotere problemen ontstaan.
Vroegtijdige preventie is effectiever dan het achteraf het gedrag te moeten bijsturen.
De laatste jaren is men begonnen met onderzoek om de problemen van kinderen en de opvoedingsproblemen van ouders in kaart te brengen.
Cijfers uit het rapport Kinderen in Nederland (2005) van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het rapport Kinderen in Tel Databoek 2010 van het Verwey-Jonker Instituut, geven het volgende weer:
○ 200.000 kinderen van de 2,6 miljoen kinderen tussen 0 – 12 jaar leven in een achterstandspositie of armoede. Uit verschillende internationale en nationale onderzoeken weten we dat armoede de ontwikkeling van kinderen bedreigt; niet alleen de materiële omstandigheden van kinderen zijn slechter, maar ook de cognitieve, emotionele en fysieke ontwikkeling van kinderen blijft achter. De tweedeling tussen kinderen in goede en in slechte omstandigheden neemt de laatste jaren toe in plaats van af.
○ Bijna 25% van de kinderen in Nederland heeft een ouder met een langdurige psychische of lichamelijke ziekte. Voor het kind kan de ziekte van een ouder leiden tot emotionele en gedragsproblemen.
○ 107.000 kinderen worden mishandeld.
○ Bijna 3% van de jongeren van 13 jaar heeft in het afgelopen half jaar een depressie gehad.
○ Ruim 11% van de scholieren op de basisschool wordt regelmatig gepest.
○ Naar schatting 15% van de kinderen in Nederland maakt een echtscheiding mee.
○ Meer dan één op de zes kinderen van 15 jaar is 'te dik'. Dikke kinderen lopen een groter risico dan hun ‘niet-dikke’ leeftijdsgenootjes op een negatief zelfbeeld of sociale uitsluiting door pesten.
○ Ruim 10% van de jongeren van 13 tot 18 jaar heeft last van een angststoornis, zoals faalangst of een fobie. De angst beperkt hen in hun dagelijks leven.
○ De positie van allochtone jongeren is kwetsbaar. Hun binding met de Nederlandse samenleving neemt snel af, waardoor het gevaar dreigt dat deze jongeren in een maatschappelijk isolement terechtkomen.
○ Bijna 40% van de vrouwen heeft voor hun zestiende levensjaar één of meer negatieve seksuele ervaringen, waarvan 15% met een familielid.
○ Misbruik bij kinderen komt het meest voor in de leeftijd tussen de acht en twaalf jaar.
○ Buitenlandse studies tonen aan dat drie tot negen procent van de jongens misbruikervaringen kent. In Nederland is hier nog geen landelijk onderzoek naar gedaan.
“Vanaf 2015 bezuinigt de overheid structureel op de jeugdzorg. De bezuinigingen bedragen in eerste instantie 100 miljoen euro en lopen op tot 300 miljoen euro”
“In 2015 voert het nieuwe kabinet een eigen bijdrage voor jeugdzorg in. Bij uithuisplaatsing gaat het om een bedrag dat ten minste gelijk is aan het geld dat een gezin bespaart wanneer een kind niet meer thuis woont. De overheid gaat uit van een eigen bijdrage van 3.400 euro per kind per jaar. Daarnaast komt er een eigen bijdrage voor ouders van jeugdigen die zorg ontvangen vanwege de AWBZ. Ook in de extramurale jeugdzorgverlening wordt een eigen bijdrage ingevoerd”.
Ook nu al kampen Instellingen met begrotingstekorten, bezuinigingen en reorganisaties. Hulpverleners moeten voldoen aan kwantitatieve maatstaven, er is weinig ruimte tot bezinning en deskundigheidsbevordering. Deze situatie leidt in toenemende mate tot onduidelijkheid en onvoldoende aandacht voor directe en praktische ondersteuning gericht op kinderen met (dreigende) psycho-sociale problemenen en hun ouders, opvoeders.
Vanuit privé-praktijken komt steeds meer aanbod van trainingen in sociale vaardigheden en psychosociale weerbaarheid.
Veel training/opleiding bestaat uit een aanbod van enkele dagen, waarna ieder die dat wil, met goede bedoelingen, een aanbod kan doen aan kinderen en ouders. Er is geen standaard voor kwaliteit, deze loopt dan ook erg uiteen.
Gesubsidieerde instellingen hebben een steeds beperkter aanbod. Veel aandacht gaat naar diagnostiek, terwijl de vraag van ouders juist gericht is op praktische ondersteuning van opvoedingsvaardigheden.
Groepsinterventies zijn relatief goedkoop in vergelijking met individuele behandelingen, en blijken even effectief.
De deelname aan de trainingen is niet voor elk kind en zijn ouders mogelijk omdat de verzekeraars de trainingen (nog) niet in het basispakket vergoeden.
De signalen die in 1994 leiden tot de ontwikkeling van de training op basis van de methode “Ho, tot hier en niet verder...!” zijn nog altijd en zelfs in toenemende mate actueel.
Door het werken van beide ouders, de individualisering van behoeften en opvoeding, de toenemende informatie-stroom en de eisen van de maatschappij neemt de druk op ouders en kinderen toe.
Scholen ervaren een spanningsveld tussen lesgeven en aandacht voor gedragsproblemen. De opleiding voor leerkrachten voorziet nog onvoldoende in het leren omgaan met het gedrag en de ‘vragen’ van kinderen. Steeds meer scholen en leerkrachten zoeken naar een vorm van deskundigheidsbevordering die hen hierin kan ondersteunen.
De oude benadering van leren op basis van instructie, opdrachten, uniformiteit en competitie voldoet niet meer. Een andere vorm van leren is in ontwikkeling: het dynamisch leren. Dynamisch leren vindt plaats op basis van samenhang, wederzijds gecreëerde betekenis en de aard van de eigen ervaringen en deskundigheid.
De methode ”Ho, tot hier en niet verder...!” biedt inzicht en vaardigheden voor het ontwikkelen van deze nieuwe manier van leren en omgaan met elkaar.
De methode “Ho, tot hier en niet verder...!” draagt alle elementen in zich om effectief psychosociale problemen te voorkomen of te verminderen.